jjjyk
Monoloog ‘Hij is er niet’.
Personages komt op, met een zomerse kleren, een zonnebril op haar hoofd, en twee koffers in haar tas.
Personage: ‘Ik stond hier, precies hier. Het was rond etenstijd, iets later…uur of 7. Ik was geïrriteerd, en ik liep wat rond. De tijd ging voorbij, en ik bleef maar wachten. Keek bij elke persoon die langsliep, of hij het toevallig niet was. Onzin…Hij kwam nooit van rechts. Ik keek naar links, maar ik zag niets meer dan donkerte en een duif zoekend naar broodkruimels.
Het werd koud, ik deed zijn jas aan. De jas was. De jas die ik beloofde mee te brengen.
De jas was er, hij niet…
Ik belde op, vragen waar hij bleef..maar kreeg niets anders te horen dan een ingeblikte stem die me machinaal probeerde uit te leggen dat dit nummer nu niet beschikbaar was. Ik zucht. Moe van het lopen.
Met mijn ogen zoekend naar een plekje waar ik kon zitten.
Weer die blik naar rechts, die bijna spastische hoofdbeweging in de hoop dat ditmaal wel het verlangen op mijn netvlies werd geprojecteerd.
onzin, hij kwam nooit van rechts.
Keek weer naar links, maar weer niets anders dan donkerte, aangezien de duif inmiddels was verdwenen.
Ik keek met dezelfde snelle beweging wee op mijn horloge,
. ‘Hij kon onder een auto zijn beland, en nu vechtend voor zijn leven in het ziekenhuis liggen… hij kon door een enge man meegenomen zijn, en smekend om naar huis te gaan, in een donkere kelder liggen..of…
Waarom dit? Waarom die cliché’s in godsnaam? Het is blijkbaar iets menselijks de schuld ergens anders naartoe te schuiven, puur omdat ze de feiten niet onder ogen willen zien. Het is het kinderlijk principe van fantasie erbij trekken op het moment dat de realiteit te zwaar wordt.
Want Ik, nee iedereen, zelfs iedere kleuter kon weten dat het niet zo was.
Ik hoorde iets, keek snel naar de plek waar het geluid vandaan zou kunnen komen…..zou moeten komen.
De hoop dat hij het was, werd steeds groter, ik liep langzaam naar de plek waar het vandaan kwam. Ik keek, ik zocht, ik hoopte…maar zag niks.
Het was ook een veel te mooi idee… samen op vakantie, met zijn tweeën naar Parijs, Terrasje, wijntje, hotelkamer in Momantre, voor veel teveel geld door een veel te aardige straatschilder geschilderd worden, bij zonsondergang. ‘het moet een keer moet kunnen.’ Zou hij dan zeggen. Hij zou me vastberaden aankijken en ik zou glimlachen, voor mezelf besluitend dat ik er altijd voor hem zal zijn.
Maar hij was er niet, weer niet.
Ik bidden dat hij zou komen, ik ben niet gelovig maar op dit soort momenten krijg ik altijd de neiging om me tot Maria te wenden. Mijn oma heette ook Maria, waarschijnlijk heeft dat er meer mee te maken.
Ik zong zachtjes ons liedje, fluisterde lieve woordjes, die ik zou zeggen als ik hem zag. Alhoewel ik van mezelf wist dat ik er op dat moment de moed niet voor zou hebben.
Weer die zucht, weer die spastische beweging naar links. Weer diezelfde donkerte, dit keer troebel van het overtollige vocht wat ongewild mijn ooghoek verliet.
Het missen van zijn aanwezigheid, het was een gevoel…zucht*..ik weet het niet, een gevoel dat niemand ooit onder woorden kon brengen, maar wel herkend. Hij was zo mooi, met zijn bruine haren, en zijn helder blauwe ogen. Hij was slim, zelfs zijn grappen hadden diepgang.
Ik keek op mijn horloge, hij was er weer niet…Ik wist het, hij was er niet,
hij was er ook nooit geweest
ik vraag me af of hij er ooit zal zijn.
PERSONAGE 2
Het was warm in de coupé, en het is weer erg fijn dat ik nu net die ene plaats had uitgekozen waar geen raampje open kon. Het duurde dan ook niet lang voor de penetrante zweetgeur van de man tegenover me mijn neus bereikte. Maar ik gunde mezelf weinig tijd daar lang bij stil te staan. Mijn gedachten waren bij haar, bij haar, bij Parijs, bij de ansichtkaart en bij het feit dat de trein een klein half uur nodig had om van den Bosch in Eindhoven te komen. Terwijl het weiland aan me voorbijflitst en ik mijn gedachten op een rijtje probeer te zetten.
Gezien de feiten had ik alle reden onzeker te zijn. 1x had ik haar nu gezien. 1x woorden gewisseld en 1 ansichtkaart.
Het was een kille lente avond. Ik kon weer eens niet slapen, ik was uit mijn inspiratie en besloot een blokje om te gaan. Zoals gewoonlijk werd het een groot blokje. Net toen ik op het punt stond om te keren zag ik haar zitten. Starend in het kanaal. Ze keerde haar hoofd mijn richting uit en 2 glinsterende, kristalheldere bolletjes wisten door mijn puppillen heen te boren als een komeetinslag die de aarde voorgoed van klimaat deed veranderen.
Ik kon niet anders dan deze lokroep beantwoorden door voorzichtig naast haar te komen zitten. Ze zij niets en bleef me aankijken. Daarna keek ze weer voor zich uit met een lange stilte tot gevolg.
‘Hou jij van stiltes?’ Sprak ze toen ze opgemerkt had dat mij het lef van de openingszin ontbrak.
‘Ja’ zei ik. Hoewel ik besefte dat een klein knikje de vraag passender zou beantwoorden. Die deed ik er dan maar achteraan.
‘Ik niet zo, vind ze vrij ongemakkelijk, maar ok, ik vergeef het je, Het feit dat je langs me komt zitten maakt het acceptabeler. ’














































































Laatste reacties